Uitgeverij PAMAC is op zoek naar een chicklitauteur. Nieuw talent kan tot en met 30 april 2011 een manuscript inzenden. De winnaar ontvangt een uitgeefcontract gebaseerd op het modelcontract van de Groep Algemene Uitgevers, lees ik op internet.
Ineens moet ik weer denken aan de verhalenbundel De Foute priester, door PAMAC uitgegeven december 2010, met twee bijdragen van mij, met ook zo’n contract met afspraken over het honorarium dat uiterlijk 31 januari 2011 wordt uitbetaald, de toezegging van de uitgever, half maart 2011, dat de afrekening nu echt binnen een week plaats vindt. En dat ook dat niet gebeurd is.
Zouden de inzenders van een manuscript wel weten hoe belangrijk zo’n uitgeefcontract is?
Voor de Libris Literatuurprijs waren 51 boeken van vrouwen ingestuurd. Er staat er een op de shortlist. De jury legt uit waarom. De meeste waren zogenaamde literaire thrillers, alleen de kwalificatie literair verdienen ze niet.
Dat zal ze leren, die uitgevers.
Ik was zo trots. Een echt uitgeefcontract van 14 pagina’s voor mijn twee bijdragen in de verhalenbundel De foute priester, van Uitgeverij PAMAC, op iedere pagina geparafeerd, helemaal echt. Op pagina 8 het belangrijkste, het honorarium, een bescheiden bedragje maar daar gaat het niet om, uit te keren op uiterlijk 31 januari en 31 juli.
Ik was het vergeten, tot twee weken geleden en mailde de uitgever. Meteen een reactie: we hebben het druk het komt deze week.
Ik heb nog steeds niks en dat vind ik vervelend.
Hé, PAMAC, wat doen jullie met mijn geld daar in Groningen?
Tirade verslikt zich vaker in begrippen. Boekbesprekingen van Carel Peeters, ordinaire recensies die ik niet verwacht in een literair tijdschrift, heten ineens kronieken. Een schotschrift is een pamflet dat iemand op smadelijke wijze aanvalt. Daar zullen alleen PVV-ers Havenaar van beschuldigen.

Als je schrijft en wilt debuteren en je hebt geen geduld, stop er dan mee. Dat is een van de beste adviezen die ik ooit kreeg. Van een uitgeverij ontving ik twee keer bericht dat mijn manuscript nog in het beoordelingsproces zat en onlangs, na 23 maanden, een kort briefje: uw manuscript heeft ons niet in die mate aangesproken, dat wij uitgave overwegen. Meer niet.
De uitgeverij draagt de voornaam van mijn vader. Daarom had ik er mijn hoop op gevestigd. Mijn vader is lang geleden overleden. Ik verwijt hem niks, natuurlijk.

Op internet las ik iets over de lange wachttijden bij uitgevers als je een manuscript hebt ingestuurd. Negen maanden is geen uitzondering. Misschien dat ze de betere manuscripten over een langere periode met elkaar vergelijken, om dan een keuze te maken, omdat het budget beperkt is.
Soms staat er iets zinnigs op het forum van Schrijven Online.

Op de verjaardag van mijn oudste zoon deze week, vroeg zijn vriendin hoe het gaat met mijn schrijven.
‘Geweldig,’ zei ik, ‘alleen nog een uitgever.’ Ik vertelde dat ik een handicap heb. ‘Ik ben geen verleidelijke jonge meid, zo’n eendagsvlieg,’ zei ik, ‘maar een gezonde Hollandse jongen van 64.’
‘Tja,’ zei de mooie vriendin, ‘dat begrijp ik.’
‘Maar kwaliteit wint uiteindelijk altijd,’ zei ik.
Ze lachte. ‘Zal ik dan nog maar een pilsje voor u halen?’
‘Je,’ riep ik, ‘zeg nou eindelijk eens je.’

Paul Sebes
NOVA van afgelopen zaterdag besteedde aandacht aan uitgeverijen die overspoeld worden door manuscripten. Volgens literair agent Paul Sebes lijdt het meeste aan slordigheid, slechte stijl en zelfoverschatting van de schrijver. Die schrijvers zouden nooit meer een toetsenbord aan moeten raken. Ze moeten gewoon geen boek willen schrijven, zegt Sebes.
Zo is het, dacht ik toen ik het hoorde, en wat zou het schelen in de wachttijd waar serieuze schrijvers rekening mee moeten houden.